Vanaf zijn prilste jeugd
tekende en schilderde hij al. Met behulp van "Van Gaades teken en
schilderboek"oefende en bekwaamde hij zich in allerlei technieken en
deed verwoede pogingen om dingen zoals anatomie, compositie en
kleurenleer onder de knie te krijgen. Na zijn opleiding aan de
pedagogische academie ging hij aan het werk in het onderwijs. Toch
bleef het schilderen en tekenen hem bezig houden. Begin jaren
negentig vond hij het tijd worden het schilderen verder te
ontwikkelen. Hij besloot lessen te gaan volgen, te gaan exposeren en
zich als kunstenaar te uiten.
Met zijn schilderijen
tracht hij de schoonheid te vangen, maar tegelijkertijd ook de
vergankelijkheid. De tegenstelling schoonheid en vergankelijkheid is
langzamerhand tot zijn hoofdthema uitgegroeid. De schoonheid wordt
in zijn schilderijen doorgaans gesymboliseerd in de mensfiguur,
vooral de vrouwfiguur, maar de laatste tijd speelt ook de manfiguur
een grotere rol. De figuren zijn geplaatst in desolate landschappen,
klassieke entourages met antieke, oosterse beelden.
Dit alles leidt tot een dromerig realistische stijl, waarin mythen
en werelden worden herschapen in een nieuwe context.